Jan Gerrits Verstegen

Ouders: Gerhardus Versteegen en Hildegonda Janssen Smits
Doop: 8 april 1730, Zeddam – Bergh – Montferland – Gelderland
Huwelijk: 24 april 1760, Zeddam – Bergh – Montferland – Gelderland
Huwelijkspartner: Theodora Jansen Vrolijk
Overlijden: mei 1804 , Zeddam – Bergh – Montferland – Gelderland
Begraven: 25 mei 1804 , Zeddam – Bergh – Montferland – Gelderland

Geboorte en jeugd

Jan wordt geboren in de lente van 1730 en wordt in Zeddam gedoopt op 8 april van dat jaar als zoon van Gerhardus Versteegen en Hildegonda Janssen Smits.  We weten dat hij tenminste één zus heeft, de drie jaar oudere Elisabeth. Van andere zusjes of broers is geen teken, maar dat betekent niet dat die er niet waren. Zeddam heeft in 1730 nog maar 30 huizen.
Hij beleeft zijn negende verjaardag in een overstroomd gebied. De onophoudelijke regen, hagel en sneeuw veranderen het landschap in de omgeving, het wordt één grote watervlakte in april van 1939. Het winterkoren gaat hiermee verloren en dat betekent voor veel van de bewoners, ook het vee, in de omgeving honger lijden.  Het menu was in de winters en het voorjaar al niet gevarieerd en heel veel te eten was er niet.

Erwten

Hij heeft geluk dat hij op het platteland geboren wordt. De aardappel wordt in de jeugd van Jan nog niet gegeten in Nederland en veel groente is er, vooral in de steden, niet. Over het algemeen blijft in eenvoudige gezinnen de groenteconsumptie beperkt tot  koolsoorten, bonen, rapen, wortelen, pastinaken en uien. Ook wordt er rijst gegeten. Bonen en erwten kunnen worden gedroogd en zijn dan dus populair wintervoedsel (eigenlijk nog steeds, de noodzaak is verdwenen maar de gewoonte is gebleven, denk maar aan bruine bonen met spek en erwtensoep), maar worden ook in de zomer gegeten.

De meest uitgebreide maaltijd, als men drie maaltijden per dag bij elkaar kan garen, is in die tijd het middagmaal, dat is de ‘warme maaltijd’. ‘s-Avonds is er vaak brij, die gekookt wordt van melk of karnemelk met gort of meel en die afhankelijk van het seizoen warm of koud wordt gegeten en een snee roggebrood met boter of kaas.

Roggebrood is in de jeugd van Jan en ook later als hij zelf kinderen heeft in het bijzonder op het platteland geliefd bij de eenvoudige lieden. (Dit brood droeg dan ook het etiket van voedsel der armen of van het ‘gemene volk’, waardoor het later in onbruik raakte.) Wittebrood is er slechts bij twee gelegenheden: met Pasen de ronde paasbroden en met Kerstmis de kerstkoeken, de weggen of wiegbrood, in de vorm van een gebakerd kindje.  Bij het ontbijt wordt wel beschuit of tweebak gegeten.
In de tijd dat Jan geboren wordt bestaat de Grafelijke Torenmolen in Zeddam al. Deze molen die hij als hij klein is vast dagelijks ziet en waar ook het meel gemalen wordt waarvan moeder Theodora onder andere de brij maakt, bestaat nog steeds.

Vlees zullen de ouders van Jan meestal niet vers ingeslagen hebben, maar gepekeld, gedroogd en gerookt. Bijvoorbeeld wordt er worst van gemaakt.
Gedroogde worstMoeder Theodora zal er de zondagssoep mee klaargemaakt hebben (er werd van maandag tot en met zaterdag gewerkt, zondags ging je naar de kerk en daarna werd er soep gegeten) en verder het vlees in menig stoofpot gebruikt hebben in combinatie met hetgeen het seizoen bood zoals wortelen, rapen, appels en peren, soms rijst en gort. Zo nu en dan heeft ze varkensvet met stroop als saus er bij geserveerd. Ingewanden gooide je uiteraard niet weg. Populair was om die aan stukjes gesneden te mengen met meel en appels.

Qua drinken was er bier, vaak zelf gebrouwen. Een laag alcoholpercentage voor het dagelijks gebruik (ook kinderen drinken in die tijd bier) en wat sterker voor feestelijke gelegenheden. Waar de wat meer welgestelden en stedelingen alleen bier dronken, zal Jan vast ook water gedronken hebben.


Grafelijke molen in Zeddam

De grafelijke molen van Zeddam stamt uit de 15e eeuw en is daarmee de oudste, nog bestaande torenmolen van Nederland. De molen stamt nog uit de tijd dat de Heren en graven van Bergh hier het windrecht bezaten. Tegenover de grafelijke molen liggen de resten van een rosmolen, aangedreven door paarden.


Windrecht

In de Middeleeuwen hadden de Heren van Bergh het recht op aarde, wind en water. Boeren konden grond pachten, maar moesten daarvoor wel grondbelasting afdragen aan hun heer, al dan niet in natura. Maar omdat de Heren van Bergh ook het windrecht bezaten, moesten de boeren hun graan verplicht in een van de grafelijke molens laten malen. Zo incasseerden de Heren van Bergh twee keer inkomsten. En als er toevallig geen wind was, gebruikte men de tegenover gelegen rosmolen.
Molen

Tijdens de Franse Tijd (1795-1814) werden de meeste middeleeuwse voorrechten afgeschaft. Vanaf die tijd mocht iedereen een molen beginnen. Ook de molen van Zeddam kwam in particuliere handen. In die tijd waren er nog geen stoommachines, molens vormden de motor van de economie. De Zeddamse molen heeft de tand des tijds goed doorstaan, wat vooral te danken is aan de 1,5 meter dikke muren. Tijdens WOII heeft de molen dienst gedaan als uitkijkpost voor de Duitsers, maar ook als schuilkelder voor omwonenden.


Sabotage

Er is nog een aardig verhaal bekend over de molen. In 1663 liep de pacht af van molenaar Reinier Jansen. Zijn functie werd overgenomen door Tonnis Ariaens, die een beter bod had uitgebracht. Reinier was ontstemd en besloot de nieuwe molenaar een hak te zetten: hij verwisselde vlak voor de overdracht de nieuwe wiekzeilen voor een stel oude. De muldersknecht ging nog een stapje verder en smeerde de praam in met varkensvet (reuzel), zodat de molen niet meer kon remmen. Bij inspectie werd de sabotage ontdekt, nog voordat er ongelukken konden gebeuren. De muldersknecht kreeg een flinke boete en werd verbannen uit de Achterhoek.

 

Als Jan 10 jaar oud is beleeft hij een winter (1740) die extreem koud is. De winter begint in december 1739 nog vrij zacht, maar begin januari begint het flink te vriezen. In de periode van zaterdag 9 tot en met dinsdag 12 januari is het zelfs overdag in Zeddam steeds kouder dan 10 graden onder nul. Na de barre winter volgt ook nog een extreem koud voorjaar. Op zaterdag 7 mei sneeuwt het nog. In de zomer wordt het niet veel beter, het is koud waardoor de oogsten volledig mislukken. Qua weer wordt het een rampjaar en het duurt nog jaren voordat Zeddam en omgeving hersteld is er van.

In 1747, Jan is dan 17 jaar oud, breekt de veepest uit. Ook dat heeft invloed op de welvaart van het al iets groter wordende dorp Zeddam dat in 1750 gegroeid is van 30 naar 50 huizen. De veepest veroorzaakt armoede, niet alleen in Zeddam en omgeving, maar ook in Nederland en daarbuiten. Lees hier meer over de veepest.

Huwelijk

1760-huwelijksboek-detailJoannes trouwt op 24 april 1760, hij is dan 30 jaar oud, met Theodora Janssens Vrolijk. Het lijkt er op dat het echtpaar vervolgens in Wijchen gaat wonen. Het huwelijk vindt daar ook plaats. Dat zal een reden gehad hebben, waarschijnlijk is Theodora daar geboren. In de huwelijksakte wordt Jan aangeduid als Joannes Verheggen. Dat zou een vergissing kunnen zijn, of het is de achternaam van Theodora. Er wordt in Wijchen in het jaar 1726 een Theodora Verheggen gedoopt, dochter van Henricus Verheggen en Joanna Huijbers. Mogelijk is dat de vrouw van Joannes hoewel ze later Vrolijk wordt genoemd en Janssens. Het echtpaar krijgt tenminste 3 zonen, maar er zijn ook aanwijzingen dat er een dochter Gertrudis en een zoon Gerardus is. De laatste zal dan waarschijnlijk de eerstgeborene zijn en vernoemd naar de vader van Jan.

Kasteel Wijchen

Rechts zien we kasteel Wijchen in 2016. Het is nu in bezit van de gemeente Wijchen en herbergt een museum en trouwzalen. Onderstaand in het kort de geschiedenis van het kasteel dat er al lang stond voordat het echtpaar Verstegen zich in Wijchen vestigt. De header-afbeelding (helemaal boven aan de pagina) is gemaakt in de tijd van Jan en Theodora.

14e tot 17e eeuw

Het kasteel van Wijchen wordt in 1392 voor het eerst in schriftelijke bronnen vermeld. De eerste bouw gaat echter waarschijnlijk terug tot het midden van de 14e eeuw.Vele families hebben het kasteel in hun bezit gehad. In de 14e eeuw kwam het in handen van het geslacht van Galen, in 1536 kreeg de heer van Batenburg het in eigendom. Inmiddels was het kasteel minstens één keer verwoest. Hoogst waarschijnlijk heeft een van de heren van Batenburg (de familie Bronkhorst) de nieuwe burcht gebouwd, die echter pas aan het begin van de 17e eeuw is voltooid. Die voltooiing staat op naam van het prinselijke paar Emilia van Nassau en Don Emanuel van Portugal.
17e tot 20e eeuw

In 1629 overleed Emilia en het kasteel werd door haar kinderen uiteindelijk verkocht aan Philips van Nassau, heer van Grimhuizen bij Breda. Na in drie verschillende families van hand tot hand te zijn gegaan, kwamen kasteel en leengoederen in 1771 in het bezit van het geslacht Osy. Theodora Vrolijk en Jan Verstegen hebben dit meegemaakt. De vraag is of het voor hen veel verschil uitmaakte, hoewel mogelijk de eigenaren van het kasteel ook tuinlieden en landbouwers in dienst hadden, dus qua werkgelegenheid en werkgevers kan het verschil uitgemaakt hebben in het dorp. De erfgenamen van baron J.J.R. d’Osy hebben het kasteel in de zomer van 1903 in de openbare verkoop gebracht. Jonkvrouwe A.W. van Andringa de Kempenaer uit Den Haag kocht het kasteel voor 26.850-. Uiteindelijk komt het in het bezit van de gemeente Wijchen in 1932.

Kinderen

Voornamen Doopdatum Doopplaats
Gerardus ca 1761 ?
Joannes 13 februari 1762 Wijchen – Gelderland – Nederland
Joannes 22 juni 1763 Wijchen – Gelderland – Nederland
Gertrudis ca 1765 ?
Jacobus 3 juni 1768 Wijchen – Gelderland – Nederland

Joannes, gedoopt op 13 februari 1762, wordt al op 18 februari, 5 dagen na de doop, begraven in Wijchen.

 

 

Bronnen en foto’s: Gelders Archief, Guillaume fotografie, Spannende Geschiedenis – Grafelijke molen, Museum kasteel Wijchen, Burema (1977), food-info.net, Chris van Keulen – Zeddam en Didam, J. Buisman – Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen

 

Terug naar het schema