Veepest in de 18e eeuw

Zwartbontekoe-2

De achttiende eeuw brengt de boeren vele slagen toe. Er zijn overstromingen, koudegolven en er is de veepest ook wel runderpest genoemd. De epidemie onder het vee teisterde in deze bewogen eeuw driemaal Europa. Deze besmettingsgolven troffen ons land in 1713, 1744 en 1766. Was de ziekte eenmaal binnengedrongen, dan bleef deze jarenlang aanhouden. De epidemie die begon in 1744 duurde tot 1756 en decimeerde de nationale veestapel.

Wat is de veepest?

RunderpestvirusVeepest was een veeziekte die werd veroorzaakt door een virus. Het virus is nauw verwant aan het virus dat pest bij kleine herkauwers veroorzaakt. Buiten runderen en aanverwante dieren zijn ook varkens (knobbelzwijnen), geiten en schapen zijn, zij het in mindere mate, vatbaar voor het virus. Mensen zijn er niet vatbaar voor. De uitbraken van runderpest in de 18e en 19e eeuw hebben geleid tot opleidingen voor veeartsen om de epidemieën onder controle te krijgen. Al in 1774 verkreeg de Nederlander Geert Reinders goede resultaten met de enting tegen runderpest. Runderpest staat op de A lijst van de OIE (Wereldorganisatie voor diergezondheid). Op 14 oktober 2010 verklaarde de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties de runderpest uitgeroeid.


De ziekte was uiterst besmettelijk en verspreide zich door rechtstreeks contact van gezonde dieren met zieke, maar ook vers vlees, verse mest en zelfs verse huiden brachten de besmetting over. Ook schijnbaar gezonde dieren waren verdacht, omdat de smetstof na afloop van de acute ziekteverschijnselen nog een tijdje actief bleef. De ziekte uit zich door een ontsteking aan de slijmvliezen, die vooral de ademhalingswegen en spijsverteringsorganen aantast. Meestal heeft ze een dodelijke afloop; in een klein aantal gevallen komen de beesten er goed doorheen.

 

Gevolgen in de 18e eeuw

Afbeelding gevolgen veepestOok in Nederland heeft de runderpest met ongekende felheid gewoed. Zo bleef in Rouveen in 1714 vermoedelijk nog geen 11 procent van het oorspronkelijk aantal runderen gespaard, in het naburige Staphorst was dat slechts 3%. In Friesland gingen tussen december 1713 en februari 1715 ruim 66.000 runderen dood. Bij de volgende besmettingsgolf lieten in die provincie tussen november 1744 en augustus 1745 ongeveer 135.000 stuks vee het leven, dat was meer dan 80% van de totale veestapel. In Holland vonden bij de derde epidemie, tussen april 1769 en maart 1770, 160.000 koeien de dood, de kalveren zijn daarbij niet eens meegerekend. De cijfers zijn slechts momentopnames en voorbeelden, want de ziekte houdt vaak jaren aan. Zo eist de epidemie die begint in 1744 ruim tien jaar later nog slachtoffers. In 1747 wordt bijvoorbeeld de kleine gemeenschap van Zeddam hard getroffen door de gevolgen van het virus.

 

Voorbeeld

De boekhouding van Willem van der Zon in Warmond laat zien wat veepest betekent op een boerderij. In 1742 bestaat zijn veestapel uit 54 koeien. In het voorjaar van 1745 gaan twintig beesten dood, rond de jaarwisseling van 1746-1747 weer twintig en in het voorjaar van 1748 nog eens vijftien. De ontvangsten die hij incasseert voor melk, boter en kaas dalen van 2.200 gulden in 1744 naar ongeveer 1.000 gulden in 1747. Willem is blijkbaar kapitaalkrachtig genoeg om de klap op te vangen. Twee jaar later zijn de inkomsten voor zuivelproducten van zijn bedrijf weer gestegen tot 2.300 gulden. Hij moet voldoende geld hebben gehad om nieuw vee te kopen.

Vooral gebieden met intensieve veeteelt hadden onder de rampspoed te lijden. In de Friese grietenij Hemelumer Oldeferd waren er eind 1744 2.844 runderen. Een halfjaar later zag het beeld er heel anders uit: Van deze toch substantiële veestapel bleven er slechts twintig runderen onaangetast; 2.554 beesten raakten besmet en gingen dood en 270 kregen wel de ziekte maar herstelden. Door het geïsoleerde karakter van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden sloeg de veepest daar wat minder hard toe dan elders in het land.

Bruine koeMenig boer wist ondanks alle ellende het hoofd boven water te houden. Tijdens de ziektegolven waren de prijzen voor melk, boter en kaas hoog. De forse opbrengsten van zuivelproducten waren voor de boeren een stimulans om nieuw vee aan te schaffen indien er maar enige financiële armslag was. En als die ontbrak, overwon een boer soms zijn geërfde trots en deed een verzoek om ondersteuning door de diaconie. Zo kreeg de hervormde kerkenraad van Rhoon in 1749 het verzoek van Rokus Willemsz. om hem enig geld te lenen voor de koop van drie runderen. De diakenen voelden er niet voor, omdat de zorg voor “andere nooddruftigen wier lot schrikkelijker is” hen meer drukte. De prijs van nieuw vee was ook niet gering.

Boeren die in weidegebieden woonden en die niet in staat waren nieuw vee aan te schaffen, kozen er nogal eens voor tijdelijk over te stappen op schapenteelt.

Rood(bont) versus zwartbont

Veel belangstelling was er voor kalveren van gebeterde koeien die de ziekte hadden doorstaan. Deze beesten hadden een bepaalde mate van resistentie, waardoor het risico minder was dat zij door de pest zouden worden getroffen. Daarnaast haalden veehandelaren vooral runderen uit het Deense Jutland. Dit zou een van de belangrijkste oorzaken zijn waardoor sindsdien in ons land het zwartbont vee overheerst. Opvallend is in elk geval dat op schilderijen van voor 1700 voornamelijk of zelfs uitsluitend roodachtige en witte koeien te zien zijn.

In akkerbouwgebieden, waar vooral het gemengd bedrijf gevoerd werd, hadden de agrariërs de mogelijkheid om tijdens de ziekteperioden zich meer op akkerbouw toe te leggen. Toch was de veepest ook hier een groot probleem, omdat de boeren voor hun akkers koemest nodig hadden.

Waar het velen op verschillende manieren lukte om hun bedrijf te laten overleven, lukte het velen ook niet. De schade door de veesterfte konden sommigen niet opvangen, onder meer omdat de lasten voor pacht en belastingen ook al hoog waren. Vooral de boeren in Noord-Holland leken het erg moeilijk te hebben, omdat zij daarnaast nog eens zeer hoge waterschapslasten moesten betalen. Dat was noodzakelijk om het achterstallig onderhoud aan waterbouwkundige werken, die in de tweede helft van de voorgaande eeuw waren verwaarloosd, te kunnen bekostigen.

Veel pachtboeren zagen zich gedwongen hun bedrijf te verlaten. Ook onder zelfstandige boeren was er een aanzienlijke groep die met het boerenbedrijf moest stoppen. Men noemde dit “spa steken” omdat de boer een spa in de grond stak als teken dat hij het land aan zijn lot overliet. Veel agrariërs vervielen tot volstrekte armoede. De Staten van Holland spraken in 1750 hun zorg uit over de honderden boeren die tot de bedelstaf waren geraakt als gevolg van de veeziekte.

Maatregelen

Men doet in de 18e eeuw wat men kan: stallen worden uitgemest, import- en exportverboden worden van kracht, hele streken onder quarantaine gesteld, de handel valt stil, zonder dat het veel uithaalt. De ziekte verspreidt zich van dorp naar dorp, van streek naar streek en stoort zich niet aan landsgrenzen.

De Staten van de verschillende provincies schrijven geregeld bede- en boetedagen uit “om met oprechtheyt de zonden, die Ons de Goddelyke Gunst zo onwaardig maken, te belyden, om de vergiffenis daar van te smeeken, in den Name des Heeren Jezu Christi, te gelyk met de Goddelyke bystand tot dadelyke verbetering en bekeering; om te bidden om de ophouding van alle de onheylen, waaronder Wij nog zugten, inzonderheyt de Sterfte onder het Rundvee, en om de continuatie van de Goddelyke Goedertierenheid en Bescherming in het bewaren van Onze rust, Vryheid en onafhankelijkheid.”

De overheden ondernemen ook praktische zaken om de epidemieën te bestrijden. Zo wordt het transport van dieren en het houden van veemarkten verboden en het vervoer van mest en hooi wordt aan banden gelegd.  De maatregelen die de overheid neemt, richten zich vooral op het beperken van risico’s. De centrale overheid had beter het advies van de Italiaanse natuurkundige Giovanni Lancisi over kunnen nemen. Hij doet in 1711 al (in opdracht van de paus) onderzoek naar bestrijding van de veepest.

Remedie

Het advies dat Lancisi uiteindelijk geeft is het afslachten van de veestapel. In Engeland komt de geleerde Thomas Bates drie jaar later tot dezelfde conclusie. Anders dan de Nederlandse regering volgt de Britse regering het advies op en binnen enkele maanden is daar de plaag voorbij.

Inenting

Geleerden in de 18e eeuw zoeken verwoed naar andere middelen dan afslachten om de ziekte te bestrijden en publiceren daarover. De beroemde wetenschapper Petrus Camper geeft aan de Groningse universiteit openbare colleges over bestrijding van de veepest. Zijn toehoorders zijn niet alleen studenten, maar ook regenten. De Staten van Holland loven een premie uit van maar liefst 10.000 gulden voor degene die een medicijn tegen veepest ontwikkelt. Uiteindelijk slaagt de Groninger boer Geert Reinders erin een inentingsmethode te vinden die succesvol lijkt te zijn. Het duurt echter nog een tijd voordat iedere boer die overneemt. Inenten wordt in die tijd beschouwd als het moedwillig ziek maken van gezonde beesten.

De regenten in Nederland missen het gezag om de rigoureuze maatregel door te voeren. De boeren vinden dat de “Heeren” geen verstand van het boerenbedrijf hebben en dus legden ze de raad hun veestapel te vernietigen naast zich neer. Een dergelijke ingreep beschouwen veel veehouders als een verzet tegen de slaande hand van God. Bovendien zijn de hoge heren niet bereid de boeren op enigerlei wijze schadeloos te stellen wanneer hun dieren zouden worden afgemaakt. Pas later, als in de Bataafse tijd een centraal gezag voor heel Nederland komt, kan de basis gelegd worden om bij latere epidemieën wel over te gaan tot het afslachten van het vee. In 1799 wordt een veefonds opgericht waaraan alle boeren naar rato van de omvang van hun veestapel een contributie moeten betalen. Bij rampspoeden als de veepest krijgen de veehouders uit dit fonds een schadeloosstelling.

Naast de remedie om alle besmette dieren onmiddellijk af te slachten, helpt later in de 18e eeuw inenting ook. Met deze twee maatregelen heeft de runderpest gezorgd voor een belangrijke doorbraak in de diergeneeskunde en was het de aanleiding voor het oprichten van het Veefonds in Nederland. Ook heeft het Geert Reinders er toe gebracht om een remedie te ontwikkelen tegen de ziekte en hij is daarmee één van de grondleggers geworden van de immunologie.

Geert Reinders

Geert ReindersGeert Reinders was een geboren en getogen Groninger die leefde van 1737 tot 1815. Nadat Geert Reinders als veehandelaar betrokken was geraakt bij de weinig succesvolle proeven van Petrus Camper om de runderpest (veepest) preventief te bestrijden, voerde hij met volharding en een intuïtief waarnemingsvermogen tests uit op (en soms ten koste van) zijn eigen veestapel om de runderpest te bestrijden.Hij merkte dat koeien die genezen waren van runderpest, kalveren voortbrachten die gedurende de eerste levensperiode immuun waren tegen deze ziekte. Hiermee ontdekte hij het fenomeen dat in de huidige immunologie bekendstaat als maternale (passieve) immuniteit. Ook merkte hij op dat als de kalveren in deze periode werden besmet door een inenting met runderpestvirus, er meestal slechts lichte ziekteverschijnselen optraden en de dieren daarna beschermd bleken tegen latere infecties met runderpestvirus (actieve immunisatie).Door de inenting van deze dieren enige malen met tussenpozen te herhalen kon de mate van bescherming worden vergroot. Geert Reinders maakte zijn ontdekking op een merkwaardige wijze bekend, namelijk in een brief, gedateerd 6 december 1774, schreef hij aan stadhouder Willem V van Oranje-Nassau dat hij een belangrijke vinding gedaan had. De resultaten werden ook kort daarna gepubliceerd in een brief aan de professoren Petrus Camper en Wynoldus Munniks. Deze laatste vertaalde de brief in het Engels en zond hem naar de Royal Society te Londen. Het is zeer aannemelijk dat Edward Jenner de resultaten van dit onderzoek heeft gebruikt als grondslag voor de ontwikkeling van zijn koepok-inenting in 1798.
Bronnen en foto’s: W. B. Kranendonk (2001), Trouw – Wybren Verstegen (1996), Wikipedia

 

Terug naar het schema
Naar pagina Jan Verstegen